samenvatting

Dit verhaal is begonnen met ‘niets’, met de constatering dat van ‘niets’ hier op aarde, in je directe omgeving, niet veel te beleven valt, dat van ‘niets’ geen ervaring kan bestaan. Maar ook dat vanuit het perspectief van de Maan het ‘niets’ in overvloed te ervaren is. Dus ‘niets’ is er wel, het moet alleen maar ‘landen’. Ik heb dat ‘niets’ laten landen met de kosmonaut die zijn ervaring van niets mee terug brengt hier op aarde. Maar waarom wilde ik dat? Aan de ene kant heb ik dat ‘niets’ nodig om de verwondering van het zijn te kunnen introduceren, de verwondering die Leibniz formuleerde met de vraag “waarom is er iets veeleer dan niets?” Ik vind dat een mooie vraag en zij maakt elke andere verwondering pas mogelijk. De verwondering van het zijn is, zeg maar, de moeder aller verwonderingen. Maar waarom houd ik me met deze verwondering bezig? Misschien was het niet de verwondering die ik centraal gesteld heb, misschien was het wel vrijheid. Misschien dacht ik dat je je alleen met een bepaalde vrijheid kan verwonderen. Dat klinkt niet onlogisch. Tegenover de moeder van verwondering moet minimaal de moeder van vrijheid staan, radicale vrijheid. Radicale vrijheid staat tegenover vrijheid van handelen of vrijheid binnen regels of een kader. Die vrijheid is verbonden met iets, daar heb je nu niets aan. Alleen radicale vrijheid kan je in verband brengen met ‘niets’. De radicale vrijheid van het ‘niets’ zelf. Dus of de verwondering nu centraal staat in deze tekst of de radicale vrijheid die de verwondering pas mogelijk maakt is niet goed te zeggen en dat doe ik ook niet. Het verband is duidelijk: Radicale vrijheid zegt niets zonder ‘niets’ en de verwondering van iets is pas mogelijk door de radicale vrijheid. Mocht ik eerder de suggestie gewekt hebben dat het één vooraf gaat aan het ander, dan neem ik dat nu terug.

Naast dit verhaal over verwondering, vrijheid en ‘niets’ was er ook het verhaal van het alleen zijn, het eilandenverhaal. Centraal hierin staat de vraag, hoe maak je begrip van jezelf, de wereld en de ander en wat is dat dan voor soort begrip? Deze tekst is de uitwerking van deze combinatie, de combinatie van de vraag naar begrip, wat is dat, en de verwondering van het zijn, het niets en de radicale vrijheid.

Om dit te kunnen uitwerken heb ik zo het een en ander op de schop moeten nemen te beginnen het denken. Ik heb het denken wat moeten uitrekken. Ik heb het denken als een poëzie moeten voorstellen, het begrip maken van welke ervaring dan ook als een act van poëzie moeten voorstellen. En poëzie was nodig, of beter, poëzie blijkt het concept te zijn dat daarvoor geschapen is, omdat ‘poëzie’ het ‘niets’ en ‘vrijheid’  kan begrijpen, vasthouden of bewaren, zo u wilt. En zo ontstond het poëtisch denken dat zich van netjes en boekhouddenken onderscheidt. Voor dat poëtisch denken is echter een eigen specifieke ruimte nodig. Die ruimte heb ik toepasselijk de poëtische ruimte genoemd omdat in die ruimte ontstaan kan plaatsvinden, een omgang van iets en niets. Voor het begrip heb ik deze ruimte gevuld met bolletjes en draadjes. Bolletjes voor het ontstaan van begrip en de draadjes om te verbinden en dit allemaal met een tijdelijke bepaaldheid door het vliesje. En zo creëer je dan een wetenschap van je eigen poëzie, want een wetenschap is niet veel anders dan een samenhang van begrip in alle tijdelijkheid en mogelijkheden die de ruimte en de vrijheid je biedt.