INLEIDING

Van het iets en het niets

“Vanuit het niets verschijnt het iets en verdwijnt weer naar het niets, of het wordt als een klein zinnetje opgeschreven in een schrift. Dat schrift gaat dan naar een uitgever die er een harde kaft omheen doet. En op die kaft staat geschreven dat in het boek ‘iets’ en ‘niets’ in een zinnetje gevangen zitten. Verder staat er ook mijn naam op zodat iedereen kan lezen en kan weten dat ik dat gedaan heb.”

“Alles is”, en wat niet ‘is’ maakt ‘alles’ niet minder. Deze eerste zin van dit opstel doet niet geheel zonder intentie wat verwarrend aan maar kijk om je heen, naar je bureau, je pen, kopje koffie. Kijk naar buiten, naar links, rechts, boven en naar onder, alles is daar en niets is er niet en wat er niet is, ja, dat is er dan ook niet. Je bent in de wereld die er is en die daar dan ook helemaal vol van is. Het ene ‘is’ sluit naadloos aan op het andere ‘is’. De nerf met het blaadje, met het steeltje, met de stengel, met de aarde, met het water, met de lucht, met mij, de stoel het laminaat enz. Er is geen ruimte voor ‘niets’. Wat moet ik daar nog meer over zeggen? Zo simpel is het! De wereld is een ruimte vol met ‘zijn’ dat ongehinderd in de diepste kern van alles zijn weg vindt. Het ‘zijn’ dat massief is en alleen en overal hetzelfde, want van ‘zijn’ heb je er maar één.
Maar dan sta je daar op de maan en je kijkt naar de aarde. En dat hoeft natuurlijk niet vanaf de Maan te zijn, maar zo stelden we ons dat voor. Dat is het beeld dat ik op een avond met een vriendin besprak en wij ons voorstelden. Eigenlijk was het beeld de ervaring, de beleving van de kosmonaut die vanuit ergens in de ruimte naar de aarde kijkt dat zich aftekent tegen het zwarte licht. Het Maanperspectief van de kosmonaut wanneer deze vanuit de ruimte richting de aarde kijkt en de zon in het donker ziet opgaan. Wanneer de kosmonaut naar de aarde kijkt, deze een heel klein schilletje ziet waarbinnen al het leven zich afspeelt, waarbinnen alles is en waarbuiten niets.

Er is zoveel meer niets dan iets!

Vanaf de maan is de aarde zichtbaar binnen een radius van 0,2 graden, vanaf onze verste planeet 0,00016 graden, vanaf het centrum van onze Melkweg 1,5 x 10-10 graden en vanaf het centrum van het heelal…. Het idee is duidelijk. “Esse est percipi” zegt de Engelse filosoof George Berkeley, wat je waarneemt dat bestaat en omgekeerd, wat je niet waarneemt bestaat niet.
Het ‘niets’ om het iets is zo oneindig veel groter dat je je kan gaan afvragen, is wat ik zie misschien een vergissing? Is ‘iets’ een vergissing? De gedachte die hier uit volgt is dat het bestaan zoals zich dat binnen dat schilletje bevindt en aandient zo toevallig is dat het eigenlijk belachelijk is dat het er is, te belachelijk om voor waar te houden is. Je ziet een fractie van een seconde een zandkorrel in de kosmos en wanneer je dan die zandkorrel voorbij ziet flitsen en je kijkt elkaar aan met van die grote verbaasde ogen die “was hier iets?” uitdrukken, wanneer je de absurditeit van die oneindig kleine gebeurtenis, van dat oneindig kleine idee zou Berkeley zeggen , in je puntje voelt, ben je inderdaad niet ver verwijderd van die grondgedachte: Waarom is er iets veeleer dan niets ?
En dan terug op de aarde dient de wereld zich aan de astronaut weer aan, maar nu met een verwondering voor dat iets in dat niets. Dat is het Maanperspectief.

Het Maanperspectief is geen makkelijk perspectief. Maandenken is niet vanzelfsprekend. Elk zintuig in je lijf schreeuwt het bestaan uit. Je hebt geen zintuig dat het ‘niets’ voor je waarneemt, hoe zou het ook? Daar is dit opstel óók voor geschreven, op zoek te gaan naar dat begrijpen, naar dat zintuig voor ‘niets’ want zonder een begrip van ‘niets’ kan je niet tegenspreken kan je dus ook niet een dialoog voeren, zonder ‘niets’ geen verwondering en zelfs een vraag, een oprechte vraag formuleren wordt zonder ‘niets’ een inhoudsloze act want er is dan alleen maar ‘iets’: dat! Zonder ‘niets’ is het hele bestaan alleen een verplaatsing van vaste pionnen en zelfs dat is twijfelachtig want zonder ‘niets’ is ‘iets’ gelijk aan ‘dat alles’ en hoe verplaats je dat? Daarom is zo’n ervaring vanuit de maan bijzonder die in één beeld, één ervaring, beiden aanbiedt: ‘iets en niets’. Daarom is ook die vraag ‘waarom is er iets veeleer dan niets’, bijzonder. Want te zijn, wanneer je bent, is inderdaad bijzonder.

“Dat je wakker wordt, dat moment. Het gaat me even niet om wat daarna gebeurt.
Je slaapt, bent ‘ergens’ denk ik en dan ontdek je dat je  er weer bent, daar waar je bent, in je bed, net ergens vandaan, van iets of niets gekomen. Wat is dat voor een moment? Is dat elke keer een verwondering, een ontdekking van waar en dat je bent op dat moment en soms ook wel met wie je bent? Ach! Die kleine ‘desoriëntatie naar oriëntatie’, dat is verrukkelijk! Ik vind het bijzonder te ontdekken, elke morgen, van het waar, het daar en het zijn “Goede morgen” dan, daarna dan, de dag.”

Dit opstel is een uitwerking van het Maanperspectief. Het is geen systematische behandeling van het denken of het waarnemen. Gegeven de aard van het onderwerp denk ik ook niet dat dat zou kunnen. In dit opstel zal je tegenstrijdige opvattingen of stellingen tegenkomen maar ook dat is gegeven de aard van het onderwerp en de doelstellingen van het opstel onvermijdelijk, wellicht zelfs noodzakelijk. Maar dat neemt niet weg dat we het toch wel zouden kunnen begrijpen ware het niet dat we het begrijpen zelf dan ook iets anders moeten gaan begrijpen want hoe moeten we begrijpen wat Maandenken is wanneer Maandenken denken met ‘niets’ is?
Een eerste indicatie hiervoor hebben we al gekregen van de kosmonaut die naar de aarde kijkt als een vrij zwevend bolletje met niets erom heen. De aarde als een maangedachte, een maangedachte als een vrij zwevend bolletje en dat geeft ons mogelijk een tweede indicatie om onze opdracht te starten en dat is door vrijheid in deze zaak te betrekken en de vraag te stellen, kunnen wij ook hier vrij zwevende bolletjes ervaren en is de vrijheid die we daarvoor nodig hebben ons al gegeven of moeten we die nog maken en hoe radicaal kunnen we daarin zijn? Hoe radicaal vrij kan je zijn?

“Slechts hij die Vrijheid heeft geproefd kan het verlangen hebben alles aan haar analoog te maken, haar over het hele universum te verbreiden.”(Schelling)

Dat is de Maandenker, die is radicaal, die wil vrijheid overal, in het waarnemen in het ervaren, het spreken, het luisteren, het begrijpen, het denken. De opdracht is dus die vrijheid te gaan zoeken, maar meer waarschijnlijk zullen we die vrijheid moeten maken en vrijheid maken is slopen. Te beginnen met het denken houdt dat in het slopen van stellingen, ontologische, epistemologische, ethische en esthetische stellingen die waar of onwaar zijn. Dus radicale ontkenning van alle beweringen in zinnetjes met het woordje ‘is’ er in zoals in ‘dit is zo’ is het uitgangspunt. Hier zie je al het ‘niets’ aan het werk in het ‘ont-kennen’.

Het ‘niets’ is niet alleen in de ontkenning maar is overal.

Ook Ideeën over werkelijkheid en bestaan moeten vallen. Muren vallen met hamers en bijlen, met explosieven en kanonnen, zuren en trekhaken en kettingen of vriezend water, maar wij gebruiken dus ‘niets’. En het mooie van ‘niets’ is dat het geen sporen nalaat en dat is belangrijk want alleen met ‘niets’ ontloopt de Maandenker het risico dat achter zijn rug de muren weer opgebouwd worden; dat zijn ont-kenning weer gekend wordt.