H1 DENKEN OF BOEKHOUDEN

De vlieg en ik

Wanneer ik af en toe een beetje, iemand, een mens kan begrijpen omdat ik zeg maar even weet wat deze denkt, ik een gedachte deel die door het hoofd van die ander spookt: ik zie ‘em, ik heb ‘em, en stop ‘em in mijn eigen hoofd, dan moet dat ook lukken bij een vlieg. Ik hoef niet alles te weten, alleen een klein beetje. Bijvoorbeeld alleen al zoiets als zooooommmmm van het vliegen, of bweecchh, wanneer deze zijn maagsappen deponeert op een stukje open wond en ploep wanneer deze daar dan een eitje op legt. Meer waarschijnlijk, ploeperdeploep, of ploep ploep ploep ploep ploep ploep, want het zal niet één eitje zijn. Zoomm, zoomm, zoomm; bwech; ploep ploep ploep; Zoomm, zoomm. Zo moeilijk is dat niet.

Laat ik maar meteen met het ‘begrip’ in huis vallen, ik wil ‘maandenken’ onderscheiden van ‘netjes denken’.
Op een vraag van een student tijdens een college, wat we eigenlijk leren nu we filosofie aan het leren zijn? antwoordde mijn toenmalige docent, “netjes denken, jullie leren netjes te denken” en het is duidelijk wat hij daar mee bedoelde. Filosofen leren concepten een duidelijke betekenis te geven en de zinnen zo te ordenen dat daar iets logisch uit volgt. Het hoeft niet waar te zijn maar het moet wel kloppen. Filosofen leren nog wel meer, bijvoorbeeld het verzinnen van vragen, maar netjes denken is zeker een onderdeel van het curriculum.
‘Netjes denken’ heeft zo gezegd veel weg van boekhouden dat ook netjes ordent, zij het dan van een reeks getallen waar ook iets ‘logisch’ uit volgt. Het hoeft geen winst op te leveren maar het moet wel kloppen. Nu wil ik tegenover dit ‘boekhouddenken’, ik noem het maar even zo, het ‘denken’ stellen. Dus ‘netjes denken’ wordt geen denken meer want het staat nu tegenover denken. Maar wat is dan denken wanneer het geen ‘netjes denken’ is? Heidegger schrijft in ‘Brief über den Humanismus’ dat denken gelijk staat aan “iets tot zijn wezen ontplooien”. Het woord ‘wezen’ in deze zin verwijst niet naar een essentie, een kern, een waarheid of zo, maar is een existentiaal, een ‘zijnsverstaan’. Ja, Heidegger is leuk om te lezen:

“..denken is noch theoretisch noch praktisch. Het gaat aan dat onderscheid vooraf. Het is, in zoverre het is, het aandenken aan het zijn en niets anders […] Een dergelijk denken boekt geen resultaat. Het heeft geen invloed. Het volstaat voor het wezen van dit denken dat het er is.”

en:

“Zij laat het zijn – zijn.”

Hier moet je het maar even mee doen. Duidelijk mag zijn dat dit denken in ieder geval geen ‘boekhouddenken’ is. Het is voor het verder kunnen volgen van dit opstel ook niet van belang dat je nu precies begrijpt wat Heidegger schrijft en bedoelt. Het is weinig mensen gegeven precies te kunnen uitleggen wat Heidegger bedoelt. En daar zit op zich al een clou, het begrijpen zelf moeten we opnieuw begrijpen. Net zoals we een apart of bijzonder zintuig nodig hebben om het niets te vatten, te ‘zien’, hebben we ook een ander soort ‘begrijpen’ nodig om het denken te kunnen begrijpen. Wanneer je je nu enigszins verward voelt, is het goed: Heidegger zegt zelf over het begrip van zijn colleges “… dat zijn lesgeven alleen vruchtbaar zal zijn geweest als zijn gehoor hem niet of verkeerd begrepen heeft”. En dat “het denken pas bij zijn zaak is als het erop stuk breekt”. Wanneer ik nu een voorschot wil nemen op dit denken, op dat zintuig dat met ‘niets’ kan omgaan, is dat de vaardigheid het onbegrip te waarderen.

Dan nu naar een hele andere ‘denker’, de Franse filosoof Deleuze. Ik moet bekennen dat ik nog geen boek van hem gelezen heb en ben deze zinnen toevallig ergens tegengekomen . Maar in dit verband, wat is denken?, zijn ze gepast. Ik ben door deze toevallige ontmoeting wel geïnteresseerd geraakt dus hij staat op mijn lijstje. Ik zal de (deel)uitspraken van Deleuze van kort commentaar voorzien:

“over de gewelddadige macht van het identificerende denken”

Ik ken de context van deze zin dus niet maar in dat ‘identificerende’ zit het onderscheidende, het intentionele: ik identificeer iets als iets. Daardoor krijgt het een bepaaldheid via de betekenis en de definitie die je alleen nog maar kan overnemen. Ik identificeer iets als iets en draag dat aan jou over: Dit is een schoen en een schoen ziet er zo uit en wanneer het er anders uitziet is het geen schoen. Dat kan ook voor concepten als liefde, vrijheid, democratie, rechtvaardigheid enz. opgaan en in dat geval kan het ons wezen raken. Dat die ‘identificatie’ iets gewelddadigs heeft spreekt dan voor zich: Ik identificeer wat vrijheid is ook voor jou! Dit staat in schril contrast met wat Rousseau over vrijheid zegt: “Vrijheid is de spontaniteit van het veranderen”.

Meer in die lijn stelt Deleuze een maken voor, door het denken, dat “weerstand biedt tegen de verkalkte identificaties.” Dat denken kenmerkt zich dan door de “aporie,” de “nomadische denkvormen” en “de dynamiek van het worden en gebeuren.”
Deze concepten drukken openheid uit. De tekst is (nog) niet af, is nog in beweging en laat zich niet in één vorm vatten, niet identificeren.

Daarvoor moeten “de grenzen vervagen tussen het beeld en het begrip.” Waarbij ‘het beeld’ staat voor de persoonlijke beleving of de ervaring en ‘het begrip’ voor het gemeenschappelijke begrip, de identificatie. Dan wordt de Identificatie een ervaring, althans, zo lees ik het:

“het denken weer aan de verbeelding en aan het lichaam uitleveren.”

Dit is leuk, nu kunnen we het zintuig voor het ‘niets’ als lichamelijkheid beschrijven, als een gevoel dus, niet als een emotie want we hebben het over lichamelijkheid over een gevoel.

Tot zover deze opmerkingen van Deleuze. Nu naar een schrijver die ik weer wel grondig gelezen heb, die ook een ‘eigen vertaling’ van wat denken is voorstelt, Richard Rorty:

“Tegenover het gezond verstand staat de Ironie.” …”De Ironicus is de persoon die de contingentie van zijn of haar meest centrale overtuigingen en verlangens onder ogen ziet, […], iemand die afstand heeft gedaan van de gedachte dat deze centrale overtuigingen en verlangens verwijzen naar iets buiten het bereik van tijd en lot.”

Om duidelijk te maken wat hij hiermee bedoelt citeer ik nog één zin uit hetzelfde boek:

“Je verstand creëren is je eigen taal creëren, anders dan de lengte van je verstand afmeten aan de taal die andere mensen hebben nagelaten.”

Hier zit dat dualisme van boekhouden en denken mooi in. Het gaat hier over begrip maken, over vrijheid van begrijpen en daar uitdrukking aan te geven. De boekhouddenker is degene met het gezonde verstand die begrip maakt door het netjes ordenen van woorden, concepten en gedachten binnen de mogelijkheden die de nagelaten taal hem of haar biedt. Dit persoon heeft geen vrijheid nodig omdat alles dat zij wil uitdrukken aan begrip al in de taal die nagelaten is kan worden uitgedrukt. Er hoeft niets gecreëerd te worden, noch verstand, noch begrip, noch taal.
Met elke beschrijving wordt een begrip van iets in de wereld vastgelegd en wordt dat begrip een onderdeel van het denken. Je kan dat begrip maken ook zelf doen door het gegevene niet als noodzakelijk vast en waar te beschouwen, niet als iets buiten ‘tijd en lot’ en wanneer je dat doet creëer je een eigen begrip en dat is denken. Dit plaatst het denken tegenover boekhouddenken. Boekhouddenken is het ordenen van bestaande formuleringen, denken is het formuleren van verbeelding.
Rorty noemt deze denker de Ironicus. De Ironicus staat vrij tegenover de idee dat bepaalde overtuigingen of verlangens buiten je bereik liggen daar een eigen begrip van te maken. De Ironicus is vrij om te denken omdat zij niet gebonden is aan de beperkingen door tijd en lot. Tijd en lot vormen niet de grenzen van het bereik van het denken. De ironie is.
Vrijheid van denken zo uitgelegd noem ik in dit opstel poëtisch denken. Dat komt omdat poëtisch komt van poitein dat maken betekent. In feite hebben al voornoemde filosofen, Heidegger, Deleuze en Rorty dat maken als kern van het denken, als een voortdurend proces. Een denken dat niet af komt omdat het resultaat niet met een labeltje “zo is het en nu is het goed en klaar en af” in de boekenkast geplaatst kan worden. Om met Heidegger te spreken, denken is voortdurend herdenken, en met Rorty, denken is metaforen maken tot ze dood zijn en dan weer nieuwe maken. Maandenken sluit aan op deze intuïtie van denken als van een maker, als van een poiètès. Maandenken is poëtisch denken.